Getuigenis

In Ghendtsche Tydinghen van 1978 nr 2 stond een prachtige getuigenis van M. Van Wesemael over zijn ervaringen als kind met de Wereldtentoonstelling te Gent in 1913. Het werd geschreven naar aanleiding van de 65e verjaardag van de start van deze expo.
Ik heb een verwerking gemaakt van deze tekst en gedocumenteerd met een aantal mooie foto’s van de door hem beschreven onderwerpen.
Veel plezier met deze tocht doorheen de expo 1913.

Het verhaal

In 1911 begon men serieus met de werken aan de Wereldtentoonstelling die zou openen op 26 april 1913.
Het optrekken van de verschillende gebouwen, vooral van het Feestpaleis, vergde het graven van diepe geulen en kuilen. Daarbij werden vanzelfsprekend massa’s (nog maagdelijk) zand op hopen gegooid om vervolgens weggevoerd te worden. Bij dat gedoe waren grondwerkers erg verwonderd op sommige plaatsen tegelijk met de groenachtig gekleurde aarde, gave en gebroken zeeschelpen op te delven. Daar bleven die eenvoudige mensen niet van wakker te liggen, ook niet toen ze op de koop toe eveneens zeer harde, van 5 mm tot 5 cm grote, meestal donkergrijze als het ware gepolijste driehoekige dingetjes met hun schoppen naar de oppervlakte haalden. Verkondigd werd – zelfs door meer geleerde lui – dat dat allemaal versteende vogeltongen waren. Michel Thiery, die de werken van dichtbij en regelmatig volgde en met eigen ogen die schelpen en zogenaamde vogeltongen zag te voorschijn komen, vertelde aan wie ‘t horen wilde, dat die schelpen inderdaad echte zeeschelpen waren, die daar niet neergelegd waren maar ter plaatse als diertjes geleefd hadden en dat die vogeltongen niets anders waren dan de versteende tanden van haaien die evenals de schelpdieren in de zee lustig rondzwommen. Een zee die op zijn minst een miljoen jaren geleden heel Vlaanderen overdekte en derhalve de Flandrische Zee genoemd werd. Bokalen vol van die haaientanden kregen jaren nadien een plaatsje in het Schoolmuseum.

De opening

Jaren op voorhand was de openingsdag vastgesteld : zaterdag 26 april.
Waarom die zaterdag ? Natuurlijk om het talrijk publiek in de mogelijkheid te stellen zijn zondag aan de tentoonstelling te besteden. Waarom die 26ste ? De tentoonstelling ging gepaard met het houden van de 17de Floraliën. Omtrent die dag staan de azalea’s (Gents voornaamste specialiteit) in volle bloei, een feit dat aan een datum eng verbonden was en nog is.
Zo’n uitbundige feeststemming als die welke op die 26ste april overal kon waargenomen worden had de stad sedert lange tijd niet gekend. Met bloemen opgesmukte en met vanen bevlagde huizen deden flink hun duit in het zakje. Ze wilden blijkbaar niet onderdoen voor de versieringen door de stad allerwegen aangebracht.
In feite ving het feest reeds de vrijdag aan. Overdag hadden beiaardconcert en trompetgeschal, ‘s avonds een taptoe met muziek en fakkellicht de grote gebeurtenis ingeluid. Tussen concert en fakkellicht heen waren inmiddels honderden nieuwsgierigen -de Gentenaars zijn altijd curieuzeneuzen geweest – naar het St.-Pieterstation getrokken om met eigen ogen de aankomst en lossing van de aangevoerde 8 galakoetsen, die de vorst en zijn gevolg ‘s anderendaags naar de tentoonstelling zouden rijden, te aanschouwen.
De dag zelf, zaterdag 26 april, zal een drukte van belang kennen : een ononderbroken toeloop van sympathisanten (en ook wel van minder enthousiasten van dergelijke plechtigheden die toch maar eens kwamen lonken) die allemaal maar een enkel doel hadden : zien, meemaken, beleven.
Dat was mogelijk aangezien de fabrieken en werkhuizen hun poorten hermetisch gesloten hadden en de Staat, Provincie en Stad aan hun personeel een dag vrijaf ten geschenke gegeven hadden.
Het weer viel mee : geen regen, wel wat wind en een welgekomen zonnetje. De galakoetsen en de ontelbare huurrijtuigen wachtten op het Stationsplein het ogenblik af om op stap te gaan. Klokslag halfdrie stoomde de koninklijke trein met station binnen. Op het perron verwelkomden burgemeester Braun, provinciegouverneur de Kerchove d’Exaerde, de plaatscommandant generaal Guiette en de commissaris van de tentoonstelling Jean de Hemptinne de koning, de koningin en de kroonprins. Daarop verliet een indrukwekkende stoet de Marie-Henrietteplaats (thans Koningin Maria Hendrikaplein) om begroet door een uitgelaten “Vive le Roi ! “, “Vive la Reine ! ” roepende menigte via de Elisabethstraat (thans Koningin Elisabethlaan), de Kortrijkse Steenweg en een stukje Citadellelaan (thans Karel de Kerchovelaan) de hoofdingang van het Park te bereiken. Deze hoofdingang was gelegen in de schaduw van de monumentale fontein opgericht ter herinnering van Karel de Kerchove, dus op de hoek van de K. de Kerchovelaan en de Koning Leopoldlaan.
Na het Park doorkuierd te hebben werd de eretrap van het Feestpaleis bestegen, het Congrespaleis doortrokken om in de grote Feestzaal de Floraliën plechtig te openen.
De op vrijdag door een jury met goud en zilver beloonde prijswinnaars werden aan de vorstelijke
bezoekers voorgesteld. Nu kon de eigenlijke tentoonstelling aan de beurt komen. Achtereenvolgens werd een bezoek gebracht aan de talrijke paviljoenen en hallen. Natuurlijk niet zonder links en rechts
wel verdiende complimenten ten beste te geven. De openingsplechtigheid eindigde omtrent halfzeven. Het was via de hoofdingang van de tentoonstelling (Kortrijkse Steenweg) dat de stoet de expositie verliet.
Die zaterdag kan ik mij nog levendig herinneren. Mijn vader en ik hadden vruchteloos geprobeerd iets van de aankomst van de koninklijke familie te zien te krijgen. Daarom zijn we naar de Kortrijkse Steenweg gestapt in de hoop meer kans te hebben wanneer de hoge bezoekers de tentoonstelling zouden verlaten. Helaas voor de gedane moeite en ons uren lang wachten werden we slechts luttel beloond. We hadden ons met de rug geplakt tegen de gevel van een der huizen die gelegen waren rechtover de hoofdingang in kwestie. Op het gepaste ogenblik had mijn vader mij een vensterbank helpen bestijgen verwachtend dat ik ten minste voor ons geduld zou beloond worden. Spijtig genoeg heb ik van op mijn uitkijkpost meer dingen gehoord dan gezien. Een steeds maar aanwassend geroep van “Vive Ie Roi ! “, “Vive la Reine ! “, “Vive le Prince ! ” Ik kon weliswaar over de opeengepakte muur van mensen heen kijken naar bepluimde steekhoeden, zwarte koolbakken (berenmutsen) en dito buizen (hoge zijden); de koolbakken geplant op de hoofden van stuurs kijkende gendarmes, die na afloop van de plechtigheid de handen vol hadden om de stroom naar de stad afzakkende mannen en vrouwen te kanaliseren. Foto’s rondgang Koning Albert 1 op de expo

Als mijn verhaal nu en dan eens in de ik-vorm gesteld wordt, dan gebeurt zulks om een getuige van het gebeurde aan het woord te laten komen. Ik hoop dat de lezers mij die vrijheid niet al te kwalijk zullen nemen. Mijn vader had een baan in het magazijn van de lijnwaadfabriek van Félix Beernaerts, dat gelegen was aan het Graaf van Vlaanderenplein schuin tegenover de hoofdingang van het Zuidstation.
De fabriek zelf stond in Wetteren. Die Félix Beernaerts maakte evenals de andere textielfabrikanten
deel uit van het beheer van de tentoonstelling. Hij zorgde er dan ook voor dat zijn bedienden aan abonnementen aan zeer verminderde prijs geholpen werden. In plaats van 20 F diende slechts 5 F neergeteld te worden. Het is wel te verstaan dat ook ik van dat abonnement gebruik mocht maken.
Ik herinner mij zeer goed dat we weinig zondagen lieten voorbijgaan zonder enige uurtjes in de tentoonstelling te gaan doorbrengen. Met het eten tussen de tanden trokken we erop uit. Gelukkig moesten we niet ver lopen, want we woonden niet meer dan een boogscheut van het park. De Bloemstraat (thans Jeruzalemstraat), een eindje Nederkouter, de Kortrijkschestraat (thans Kortrijksepoortstraat) en een paar passen de Citadellaan en we waren er. Van de 5 toegangen tot het park was die van de Kortrijkschepoort de voornaamste zoals we reeds vermeld hebben.
k geloof niet dat we één enkele keer de tentoonstelling bezocht hebben zonder naderhand een uurtje te hebben doorgebracht in het park dat voor de gelegenheid herschapen was in een amusements- of liever een lunapark. Vanzelfsprekend waren het de drank- en eetgelegenheden die goed vertegenwoordigd waren. Aanlokkelijke terrassen nodigden de voorbijgangers tot een rustpoosje uit. Een grote populariteit genoot het Burgerhuis dat helaas na een paar dagen de prooi der vlammen werd. “Normaal” beweerde de man in de straat, “in al de exposities brandt het minstens een keer”. Reeds in een minimum van tijd herrees het restaurant uit zijn as.