Senegalees dorp

In de citadel van plezier

In Gent kon het publiek voor de derde maal genieten van een Senegalees dorp. Helemaal in de lijn van de vorige twee Belgische wereldtentoonstellingen vonden de bezoekers het dorp in de pretparkzone van de expo, waar men onder meer ook de Scenic Railway, de Waterchute, het Palais des Danses, de menagerie van Bostock (waar wilde dieren werden getemd), de Rue du Caire en het Théâtre des singes kon vinden Het inheems dorp was middenin het groene kader van het Citadelpark gelegen, vlakbij de Jardin Botanique en het Palais des Fêtes. Het lag opnieuw verscholen achter een hoge toegangspoort waarop Franse vlaggen wapperden. Als we Het Volk mogen geloven werden “ten einde aan het dorp het werkelijke Senegaleesch karakter te geven, […] de minste kleinigheden door ware Senegaleezen uitgevoerd.” Aan weers zijden van de ingang hing een bord met daarop een hoofd van een Senegalese vrouw en profil geschilderd. Daarop stond respectievelijk in het Frans en in het Nederlands geschreven: “Senegaleesch Dorp. 150 Inboorlingen: mannen, vrouwen, kinderen; Werken, zeden, gebruiken.” en “Village Sénégalais. 150 Indigènes: hommes, femmes, enfants; Travails, Moeurs, Coutumes.” Waarom koos de impresario er tweemaal voor om een vrouwenhoofd als uithangbord van het Senegalees dorp de nemen? Hij kon evengoed kiezen om een mannenhoofd en een vrouwenhoofd te afficheren, of twee mannenhoofden. Was dit een kleine kunstgreep om meer bezoekers te lokken? Een toegangsticketje voor het dorp kostte 1 frank, maar onderofficiers en soldaten betaalden slechts 50 cent. En “aangenaam willende zijn aan onze werkende klasse, heeft het bestuur beslooten maar 0,50 fr. te doen betalen aan al degenen die het bijzonder abonnement van werkman bezitten, alsook door degenen die een abonnement van 10 of 15 fr. hebben als lid van eene maatschappij”, meldde Vooruit. Er werd dus duidelijk ingespeeld en ingezet op een mannelijk publiek. Toch zou dat de rijkere vrouwen niet tegenhouden om het dorp ook een bezoekje te brengen.

Een dag in het leven van de Senegalees

Begin mei arriveerden de 150 Senegalese bewoners in Gent. Zij representeerden opnieuw verschillende ‘rassen’, “les unes couleur chocolat, les autres sépia modèle”. Als we de kranten mogen geloven spraken de Senegalezen allen een ander dialect, wat soms tot communicatieproblemen leidde. Alleen in het Frans – “un peu colonial mais très compréhensible” – kon iedereen zich goed uitdrukken. De bezoekers konden vrij rondlopen in het dorp, wat opnieuw voor bijzondere taferelen zorgde. “De familiën [mochten] daar gerust naartoe […] want de tucht en de reinheid van het dorp en den inwoners wordt door iedereen opgemerkt.” De Senegalezen waren geen “slecht geklede, halfbeschaafde, ruwe Zuid-­‐ Afrikaansche boschbewoners”, in tegendeel, zij gingen gekleed in een lang, proper wit gewaad of in een witte broek met lichtblauwe vest. De meeste onder hen spraken een goed mondje Frans en vooral met de chef van het dorp, Mamadou Seck, kon men een intelligent gesprek aanknopen over het Zuid-­‐Afrikaanse én Europese leven en gewoonten.
Voor kinderen was het Senegalees dorp ‘veilig’ verzekerden de kranten. Een bezoek kon zelfs een leerrijke ervaring zijn, besloot Vooruit. Zij konden er onder meer Afrikaanse leeftijdsgenootjes op de schoolbanken aan het werk zien, ‘t is te zeggen “op den vloer, bedekt met een uit riet en verdroogde palmtakken gevlochten kleed.” De meeste Senegalese kindjes ‘verdiepten’ zich blijkbaar in de wondere wereld van de aardrijkskunde en eenmaal de les afgelopen was, kwamen zij, potlood en schrift in de hand, heel vriendelijk naar de bezoekers toe en boden hen gemoedelijk hun mollige handje aan. Een journalist van Het Volk raadde zijn lezers aan om een zakje snoepen of koekjes mee te brengen naar het Senegalees dorp om uit te delen aan de kleine Senegaleesjes. “Zijn de kleine kinderen moede gespeeld en gedanst, dan draagt de moeder hen in een sluier op den rug of legt hen te slapen in het lage, met witte lakens zeer eenvoudig toegedekte bed.” De bezoekers werden met andere woorden getrakteerd op heel wat vertederende scènes. Het is duidelijk dat in de Senegalese dorpen er een veel grotere nadruk lag op de Afrikaanse vrouw als zorgende moeder, dan dat in de Congolese dorpen het geval was geweest. Dat is natuurlijk ook een gevolg van het feit dat er veel meer kinderen aanwezig waren in de Senegalese dorpen dan in de Congolese en dat het dorp voor de bezoekers toegankelijk was.
Er was opnieuw van alles te zien in het dorp: “eigenaardige, maar zeer zindelijke uit hout en stroo vervaardigde woningen”, een moskee, een schooltje, een badplaats, een ‘vermaakplaats’, een hoge uitkijktoren, enkele administratiegebouwen en een paar winkelpandjes. In die winkeltjes konden de bezoekers onder meer de producten van het ambachtschap van de Senegalese juweliers, wevers, schoenmakers, kleermakers en tekenaars kopen. Men kon er ook voor 10 centiemen ‘witte behakte boomtakjes’ kopen waarmee de Senegalezen voortdurende mee tegen hun tanden wreven, waardoor ze “zoo onberispelijk lelieblank [werden], dat menige Amerikaansche schoone dollarprinses ze wellicht voor een fortuin zou willen inruilen.” Van ver hoorde men de Senegalese muzikanten op hun balafon spelen, een snaarinstrument dat zij met hamertjes beklapten. De zwaardvechters toonden het publiek met grote vaardigheid en lenigheid allerlei oefeningen met een groot slagzwaard. De kleurrijk geklede vrouwen zag men hun huishouden doen en het eten bereiden. “Une hutte sert de cuisine “communiste”…. une autre sert de cuisine pour les chefs (c’est tout comme au “Vooruit”).”, sneerde Le Bien Public.
Westerse genderrolpatronen werden in het Senegalees dorp niet doorbroken. Vrouwen voerden alle taken uit de ‘private’ sfeer uit, met name koken, afwassen, kuisen en zorgen voor de kinderen. Mannen vervulden hun taak in de publieke sfeer, als chef van het dorp, ambachtsman of marabout in het schooltje. Op het gebied van de categorie gender kwamen bezoekers in het Senegalees dorp dus niet voor verassingen te staan. Voor de categorie leeftijd, is dat een ander verhaal.

Oh, vruchtbaar Vlaanderen

Het Senegalees dorp bood echter meer spektakel dan dat. “De zwarte bevolking van het Senegaleesche dorp […] werd de vorige week nog door twee geboorten – oh, vruchtbaar Vlaanderen! – vermeerderd. Eerder kwam al aan bod dat impresario’s vaak opzettelijk zwangere Afrikaanse vrouwen naar de Europese exposities deden overkomen, om vervolgens de geboorte en het ‘doopsel’ op de tentoonstelling te kunnen vieren. Soms kwam het kleintje echter te vroeg piepen en werd het tijdens de overtocht geboren. Dat is ook wat in 1913 gebeurde. Mamadou Lam werd aan boord van de paketboot Amiral Excelmans geboren terwijl die op weg was van Dakar naar de tentoonstelling in Gent. Op negentien juli ging de marabout in de moskee van het Senegalees dorp over tot het ‘doopsel’ van het kind. Zoals de ‘traditie’ het wou, werden een lokale meter en peter aangesteld. De heer Chronus, directeur van het paviljoen van de gebroeders Delhaize, werd peter en mevrouw Buchet, “belang stellend in het kleine zwartje”, de trotse meter. Na afloop van de plechtigheid bood – hoe kon het ook anders -­‐ voedingsfirma Delhaize de aanwezigen enkele verfrissingen en doopsuikers aan.
Volgens de Gentse krant Le Bien Public noemde de chef du village het babytje ‘Flandre’.785 Ook aan een kindje dat in het Filipijnse dorp op de expo werd geboren, werd volgens Le Bien Public de naam ‘Flandria’ gegeven. “The strategy of naming is ambivalent”, schrijft McClintock, “for it expresses both an anxiety about generative power and a disavowal.” De wil van de man om zijn bezittingen en macht door te geven aan zijn nageslacht, wordt eigenlijk in gedrang gebracht doordat de vrouw het kind zichtbaar baart en de bijdrage van de man eigenlijk onzeker is. Om dat te compenseren heeft de man zich historisch gezien het recht toegeëigend om zijn kinderen bij het doopsel een naam te geven. Op die manier worden vrouwen gereduceerd tot loutere ‘dragers’. Iets analoogs gebeurt volgens McClintock in verband met imperialisme. De ontdekking en verovering van vreemd gebied kan je volgens haar vergelijken met een doopritueel: “In both rituals, western men publicly disavow the creative agency of others (the colonized/women) and arrogate to themselves the power of origins.” Volgens het christendom baart de vrouw het kind, maar door de erfzonde is het onrein. Het kind moet tijdens het doopsel opnieuw geboren worden en door mannen een naam gegeven worden.
Het imperialisme wordt echter niet alleen real via tekst. In het licht van de wereldtentoonstellingen kunnen we stellen dat de koloniale ‘daad’ ook echt wordt doordat onderdanen uit de kolonies er hun alledaagse leven in Afrika kwamen ‘naspelen’. Wanneer we bovenstaande uiteenzettingen bovendien aanwenden om de dooprituelen in het Senegalese tentoonstellingsdorp te analyseren, wordt het nog interessanter. Hoewel Senegal een Franse kolonie was en geen Belgische of Vlaamse, is het veelzeggend dat twee kindjes die op de Gentse wereldtentoonstelling ter wereld kwamen de naam ‘Flandria’ of ‘Flandre’ kregen. Bovendien kregen de Afrikaantjes een blanke meter en peter uit de Gentse gegoede klasse toegewezen. We kunnen de geënsceneerde doopplechtigheden bijgevolg als imperialistische gebeurtenissen classificeren. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat die doopfestiviteiten niet in de eerste plaats bedoeld waren om volk te lokken en dat de primaire motivatie in de commerciële hoek moet gezocht worden.

Alors en danse

In verschillende kranten lezen we kleine anekdotes over de contacten tussen zwart en wit. Het is een van de redenen waarom ik de zoo humain als historisch analyseconcept afwijs. Zo was het blijkbaar een gewoonte in het Gentse Senegalees dorp om op het einde van de dag een rondedans te doen met toeschouwers en dorpsbewoners. Vooral de Gentse dames deden blijkbaar aan die liefhebberij mee:
Het grootste succes heeft de finale “la ronde indigène” […] langs de wegen, bruggen en straatjes van het nogal uitgestrekte dorp, waar gast met gastheer en gastvrouw, mannen en vrouwen en kinderen hand in hand doortrekken, een soort wit-­‐zwarte panache, waar tenslotte drie tot vijfhonderd personen lustig aan meedoen.
En hoe konden de Gentenaars de Senegalezen beter leren kennen dan met enkele danspasjes? Op 13, 14, 16 en 17 juli organiseerde impresario Aimé Bouvier de gekende bals blanc-­‐et-­‐noir, een “gemengd bal in open lucht”. Voor die gelegenheid werden postkaarten van het Senegalees dorp uitgedeeld met op de achterzijde een Franstalige of Nederlandstalige uitnodiging voor het bal. “Mon Ami, tous les Sénégalais du Village vous salue et t’attend pour danser Grand bal blanc et noir Dimanche de 7 à 11 heures. Fais-­‐toi bien Joli nous Aussi Bien Bonjour de tout le Village.” Een andere versie klonk als volgt: “Mon ami bon camarade, dis à ton mère conduire toi village sénégalais. Je mettrai à moi sur cette carte postale pour souvenir des Sénégalais.” Een bewaard exemplaar van de postkaart as inderdaad ondertekend door Doudou – de zoon van Mamadou Seck – en een zekere Saga. De uitnodiging was een succes, “de blanken, in casu de bewoners van Gent en vreemde tentoonstellingsbezoekers, [dansten] er naar hartenlust een walspas, polka, ja, zelfs den welbesproken tango […] met de zwarthuidige, forsch gebouwde Senegaleesche inboorlingen.” De mannen onderscheidden zich volgens een journalist door hun gestalte – ze waren een kop groter dan de nochtans grootstaltige Russische Kozakkken -­‐, hun fiere houding en hun “gentelmanlike” gedrag. Op de charmes van die Senegalese gentlemans komen we later nog uitgebreid terug.

De journalisten over de theaternegers

Net zoals dat bij de vorige wereldtentoonstellingen het geval was, grepen journalisten de Congolese of Senegalese dorpen op de tentoonstelling aan als uitgangspunt om over politieke, heikele punten te schrijven. Een artikel in Het Laatste Nieuws – “Senegalees en Vlaming” – verwerkt op een humoristische manier de communautaire breuklijn, die België sinds jaar en dag tekent, in zijn verslag over het Senegalese dorp:
Een onderwijzeres leidde haar leerlingen in ’t Senegaleesch dorp rond – en, waarschijnlijk om haar wat fatsoenlijker voor te doen, om er niet te staan als een Vlaamsch boerinneken, redevoerde Mevrouw in’t Fransch met haar leerlingen en tot een Senegalees. Deze laatste had wellicht gezien hoe vele kinderen het voorhoofd fronsten om Mevrouws Fransch te verstaan, en hij vroeg dan ook, evenwel in’t Fransch: “Mevrouw, zijt gij van Gent?”; “Ja” was ’t antwoord; “En zijt ge vlaming”, wedervroeg de Senegalees; “Welja..” was ’t wederantwoord van Mevrouw, blij iets gevonden te hebben in haar koker, “’t is, omdat ge mij niet zoudt verstaan, indien ik Vlaamsch sprak.”; “Ja, maar ik ken zeer weinig Fransch, en uwe leerlingen verstaan toch ook beter Vlaamsch!” Stotterde de Senegalees – en zweeg verder! Mevrouwke heur wangen bloosden als een wijnappel.
Taal kunnen we – zeker wat de Belgische casus betreft – evengoed als een identiteitvormende verschilcategorie beschouwen, net als gender, klasse en ras dat zijn. In bovenstaand artikel merken we dat Vlaams spreken geassocieerd werd met een bepaalde klasse, de klasse van ‘boeren en boerinnekes’. Het is op zijn minst ook opvallend dat hier een onderwijzeres – een vrouw dus – het onderwerp van spot is en dat een Senegalees – iemand van het zwarte ‘ras’ – haar op haar plaats zet. De multidimensionele graph of comparison waar we het eerder al over hadden wordt hier dus enorm complex. Als we even de kenmerken op een rij zetten die het ‘hoogst’ gecategoriseerd werden, dan krijgen we: gegoede klasse – man – blank – Franstalig. De schrijver van dit artikel is echter pro-­‐Vlaams, waardoor het rijtje een beetje verandert: gegoede klasse – man – blank – Nederlandstalig. Je zou je kunnen afvragen waarom de auteur dan geen Fransprekende Senegalees gekozen heeft als mikpunt van zijn spot. Doordat de onderwijzeres echter door iemand van een ‘lager ras’ in verlegenheid kon worden gebracht, wordt de satire des te sterker. Ik wil de analyse van dit fragment niet te ver drijven, maar het artikel toont wel mooi aan hoe discours rond ras, gender, klasse, taal, enzomeer, elkaar versterken en legitimeren in een soort van multidimensionele vergelijkingsgrafiek; en hoe de mantra ras-­‐gender-­‐klasse niet altijd toelaat het volledige beeld te analyseren.
De meeste kranten waren over het algemeen uiterst positief over het Senegalees dorp: “een der grootste aantrekkelijkheden onzer wereldfoor” , “une des grandes attractions de l’Exposition”, “misschien wel de beste attractie die ik ooit op een tentoonstelling kon bewonderen”. Zeker Gentse kranten spraken vol lof over de Senegalezen, al was het maar om andere steden waar een wereldtentoonstelling had plaats gevonden of een Senegalees dorp te zien was geweest, te beconcurreren. Soms klonk echter ook een kritische noot. “Cultuurmenschen” konden, volgens een journalist van Het Algemeen Handelsblad, hun hart niet ophalen in het Park der Vermakelijkheden, en al zeker niet in het Senegalees dorp:
Er zijn daar een paar bioscooptheaters, schietbarakken, wafelkramen, mallemolens, een waterchute op den vijver van het park, een tobogan waar reeds een paar menschen dood bleven, het Senegaleesch dorp, dat we te Brussel in 1910 reeds zagen, en waar zeer zindelijke, net-­‐gepoetste zwartjes een afschuwelijk trommelconcert houden en den ganschen dag op hun “balafons” […] een ziekelijke, eentonig-­‐gerythmeerde muziek laten hooren.
Vooral de term ‘net-­‐gepoetste zwartjes’ is interessant, om twee redenen. Ten eerste wijst die bewoording erop dat sommigen zich vragen stelden bij de authenticiteit van het Senegalese dorp. De Senegalezen waren opgeblonken, in een proper wit kleed gestopt door de impresario, en herhaalden elke dag opnieuw een ritmische routine van dansen, zingen en muziek maken. Ten tweede kan ‘net-­‐gepoetst’ ook gelinkt worden aan het discours waar we het al eerder over hadden en dat beschaving associeerde met witter worden en het zwart ‘afwassen’.
Naast het artikel uit Het Algemeen Handelsblad werd in de dagbladpers weinig kritiek gespuid over het Senegalees dorp. De meningen sloegen pas om toen de Senegalezen na de sluiting van de tentoonstelling bleven rondhangen in Gent. Een artikel uit Het Laatste Nieuws met de titel “Een noodige zuivering”, klaagde over de ongewenste Afrikaanse gasten:
De wereldtentoonstelling heeft reeds lang hare deuren gesloten; niettemin loopen de Senegaleezen nog steeds in de stad rond. Wij denken dat het zeer nodig is die niet gevraagde inwoners over de grens te zetten. Vooral daar hun kontrakt voorzeker reeds uit is. Indien hun “manager” niet kan voorzien in hun reisgeld zou het gepast zijn, dat de kerels net als andere landloopers over de grens gezet worden.
Aangezien de Senegalezen Franse onderdanen waren, meende de krant dat het Frans consulaat zich de zaak ter harte moest nemen. En liefst zo snel mogelijk! Een Gents dokter had namelijk een klacht neergelegd tegen twee Senegalezen die hem ‘s avonds hadden achtervolgd en “voorzeker met geen goede bedoelingen”. De titel van het artikel “Eene noodige zuivering” wijst op schrik voor rassenvermenging. Alsof België niet zuiver (blank) was, als er ongewenste zwarten in rondliepen zonder dat die daar een reden toe hadden.

Fotopagina Senegalees dorp