De verdwijning van Rudolf Diesel

Vertrek zonder aankomst
Eind september 1913 reist Diesel naar Georges Carels in Gent, waar hij logeerde in het post hotel, Place des Armes, nu de Kouter. Samen bezoeken ze op 28 september de Wereldtentoonstelling, in het bijzonder de Hall der Machines en Electriciteit, waar de motoren geproduceerd door de Werkhuizen Carels uitgestald staan. Ondanks zijn aandringen blijft zijn vrouw Martha Flasche thuis, omdat ze bang is van ‘de wereldse drukte bij de rijke Carelsen in Gent.’ De dag daarna reist hij volgens plan door naar Engeland, samen met Carels en hoofdingenieur Alfred Luckmann, aan boord van de Dresden, die van Antwerpen naar Harwich vaart, om er een nieuwe fabriek – ‘Consolidated Diesel Manufacturing Ltd’- te openen in Ipswich. Vandaar zullen ze naar Londen gaan voor een algemene vergadering van The Diesel Engine Company. ’s Avonds dineert Diesel nog met zijn gezelschap, bij aankomst ‘s ochtends 30 september is hij onvindbaar. Zijn bagage staat onaangeroerd in zijn hut, zijn bed is onbeslapen. Een ongeval is vrijwel uitgesloten, de zee was rustig. Zelfmoord lijkt een mogelijkheid, gezien de financiële problemen, niets in het gedrag van de laatste dagen wijst echter in die richting, ook geen afscheidsbrief. Meteen doen wilde geruchten de ronde: de Duitse Geheime Dienst zou zijn contact met de Royal Navy in Londen hebben willen verhinderen en grove middelen hebben gebruikt, omdat er plannen waren om de nieuwe motoren in onderzeeërs te gebruiken. ‘Inventor thrown into the sea to stop sale of patents to British Government’, koppen de kranten. Anderen wijzen naar concurrenten of, vreemd genoeg, zelfs naar de petroleumlobby als gevolg van Diesels voorkeur voor biobrandstof, wat een doorn in het oog was van de toen opkomende oliebaronnen.

Genie zonder graf
Tien dagen later stuit een Hollands loodsschip op een lichaam, maar bergt het niet. Na het ontdaan te hebben van alle persoonlijke bezittingen, wordt het terug in zee gegooid, zoals in die tijd gebruikelijk was. Zijn zoon Eugen zal deze identificeren als die van zijn vader; een nieuwe zoekactie wordt gestart om het lijk te recupereren, maar zonder resultaat. Een autopsie komt er bijgevolg nooit. Eugen Diesel schreef in 1937 biografie over zijn vader die als volgt eindigt: ‘De plaats waar men hem op 10 oktober had zien drijven, was de zone van de Zeehondenplaat voor de monding der Oosterschelde tussen de eilanden Noord-Beveland en Schouwen. In de banken daar rust waarschijnlijk het gebeente van mijn vader.’ Hoe Rudolf Diesel precies aan zijn einde is gekomen zal voor altijd een mysterie blijven.