De opbouw

De terreinen

 

Als site voor de expositie had men de keuze uit drie mogelijkheden, de meersen van Ekkergem, de buurt van de nieuwe haveninstallaties en het kwartier van Sint-Pieters-Aalst.
De commissie sprak zich uit voor de laatstgenoemde stadswijk.
Stad en staat beschikten aldaar immers over uitgestrekte terreinen met een oppervlakte van 75 hectare, gelegen van de spoorweg Gent – Oostende tot aan het oude station van Maaltebrugge.
Zoals op iedere Wereldtentoonstelling en ook heden word er op geen frank gekeken.
De WT van 1913 kostte ongeveer 4,5 miljoen of omgerekend 25 miljoen € .

Het staffwerk

 

 

Met uitzondering van het Museum voor Schone Kunsten, het Feestpaleis en enkele huizen in het Moderne Dorp werd alles opgetrokken in staffwerk.
Deze techniek, een soort skeletbouw, was eind 19de eeuw in Engeland ontwikkeld.
Geprefabriceerde plaasteren elementen, verkregen uit een samenstelling van pleister, dextrine, glycerine, eiwit en water, werden op houten of metalen geraamtes bevestigd en erna geschilderd.
Bij goed onderhoud kon een dergelijke constructie het zo een vijftien jaar uithouden.

De staff-techniek voerde regelrecht naar een uitgesproken façade-architectuur. Het buitenaanzicht had weinig relatie met het interieur, achter de complexe gevels school vaak één grote ruimte die met tussenschotten werd onderverdeeld. Het metalen gebinte werd achter draperieën verborgen.

In een recordtijd kon op die manier een hele stad worden opgetrokken, een schijnstad die er toch uitzag alsof ze nooit zou verdwijnen. Fotoreeks Staffwerk

Alles voor de tentoonstelling werd aan- en afgeleverd via de halte Maaltebrugge van de oude spoorlijn naar Kortrijk.