Fillipijns dorp

Indianenkamp in Oud-Vlaanderen

Schneidewind liet verwachtingsvol zijn oog vallen op de Wereldexpo in Gent, maar daar liep het mis. Het zou het einde betekenen van zijn Europese tournee.
Tijdens de overtocht naar Gent sterft de Filipino Bemafshek. Bij hun aankomst was de expo al aan de gang en Schneidewind moest op zoek gaan naar een vrij plaatsje in het Citadelpark, waar alle attracties verzameld waren. Daar bevond zich echter het Senegalees Dorp en uit vrees voor concurrentie verzette de Franse impresario zich tegen de komst van de Filipijnen in zijn nabijheid. De Amerikaan moest genoegen nemen met een uithoek van het verderop apart georganiseerde ‘Oud-Vlaanderen’, dat bestond uit een groepering reconstructies van Vlaamse historische gebouwen, ongetwijfeld ter beschikking gesteld voor een fiks standgeld. Daar moesten de Igoroten op een grasveld zelf hun hutten bouwen, waar men ze vervolgens aan het werk kon zien in hun ‘huishoudelijke bezigheden en nijverheden, namelijk een zeer primitieve manier van weven, de houtgravuur met vuur, beeldhouwwerken, mandenmakers, plettering van rijst, vuur maken door de wrijving van twee bamboetakken, enz…’ Ze voerden ook oorlogs- en andere dansen uit, deden loopwedstrijden, speerwerpen en mastklimmen.

De dood van Timicheg

De kleine gemeenschap kende tijdens de expo een geboorte – het meisje werd Flandria genoemd – en een overlijden, waarover de lokale krant op 20 augustus berichtte: ‘Het Filipijns Dorp dat zich in Oud-Vlaenderen verheft, is in rouw. Timicheg, één van de inwoners, is naar de Velden van de Grote Jager vertrokken. Hij was pas 28 jaren oud. Hij verkwijnde langzaam in ons weinig gastvrij klimaat, ver van zijn land waar de brandende zon alles zo heerlijk maakt. Hij voelde heimwee, werd moedeloos, vatte koude en stierf. De bewoners van het dorp omringden hem en woonden het vertrek bij van zijn geest. Dit overlijden gaf aanleiding tot een ganse reeks rouwbetuigingen vanwege de kannibalen. Zij riepen en tierden om de boze geesten af te schrikken die Timicheg op de eeuwige jacht zouden kunnen vergezellen en lieten bij een pachter in de omtrek een varken kopen dat ze keelden en rauw oppeuzelden.

Het Algemeen Bestuur werd van het sterfgeval in kennis gebracht en deed het lijk naar het gasthuis brengen. De overledene ging met de vooruitgang mee: vooraleer te sterven drukte hij de wens uit met zijn klederen – een paar lappen en een gordel – begraven te worden. Heden woensdag om 1 uur 30 werd Timicheg begraven op het gemeentekerkhof van de Brugse poort.’

Brief aan president Wilson

Van de ticketverkoop is niets bekend, maar de inkomsten moeten een tegenvaller zijn geweest. Anders dan de Franssprekende, elegante en vriendelijke zwarten uit Senegal, vielen de vervaarlijk ogende, vrijwel naakte Igoroten niet echt in de smaak van het burgerlijk publiek en schrikten ze zelfs vele bezoekers af. Het kan de verklaring zijn waarom er geen enkele foto of afbeelding van werd teruggevonden. Toen enkelen van hen na afloop van de expo bedelend rondzwierven in de stad, ging het gerucht dat Schneidewind zijn groep in de steek had gelaten. Ze werden door de legerleiding opgevangen. Lokale krantenberichten over hun lot bereikten de Amerikaanse pers. In werkelijkheid zat de impresario in geldnood en kon hij zijn groep niet langer betalen of onderhouden. Hij beloofde hen wel betere inkomsten op de volgende Wereldtentoonstelling in San Francisco in 1915. Twee tolken, Ellis Tongai en James Amok, keerden zich nu ook tegen hem. In een lange brief aan president Woodrow Wilson, aangesproken als ‘Our Father’, klaagden ze erover niet te zijn betaald en vroegen ze hulp om terug te keren, iets wat hen werd belet, stelden ze. Voorts beweerden ze dat er al negen mensen waren gestorven onder wie vijf kinderen. Van die laatste feiten zijn echter geen sporen terug te vinden. De brief eindigde met ‘Your obedient servants, the natives of Bontoc Province – Interpreters of the troop’. Hierop gelastte de Amerikaanse regering de consul in Gent deze zaak te onderzoeken. Toen bleek dat er binnen de groep onenigheid was: een deel wou verder rondtrekken, in Europa of Amerika, anderen wilden na twee jaar snel weer naar huis. De VS-regering zag de hele groep eveneens liever terugkeren naar hun land van oorsprong.

Vluchten in een danstent

In afwachting van een oplossing kreeg het gezelschap tijdens de gure winterdagen een onderkomen in een oude danstent in Merelbeke, dicht bij Gent. Op 5 december 1913 maakte de impresario persoonlijk zijn opwachting in het bureau van de Gazette van Gent, om zich te verdedigen tegen de aantijgingen. Hij zei dat hij nog steeds voor de Igoroten zorgde en dat ze zich met opzet ellendig voordeden om medelijden te wekken. ‘Allen zijn thans warm gekleed en dragen schoenen’, verzekerde hij. Belangstellenden, lees milde schenkers, mochten zich wenden tot de heer Oscar Eggermont, Bergstraat in Merelbeke, waar hij ook zelf verbleef. ‘Schijnen de Filipijnen arm, in alle geval hebben zij geen zo ontstichtende tonelen uitgelokt als zekere andere buitenlanders,’ voegde hij er trots aan toe: Volgens een andere krant bedoelde hij daarmee ontegensprekelijk ‘het schandelijk gedrag van enige der Senegalezen die het met Gentse meisjes hadden aangelegd.’ Steeds volgens de Amerikaan hadden de Filipijnen ‘reeds 10.000 frank naar huis kunnen zenden. In de tentoonstelling wonnen zij nog 8.000 frank voor hun arbeid. De volgende week zullen er vijfentwintig naar hun vaderland teruggezonden worden, wat nagenoeg 8.000 frank zal kosten en zevenentwintig blijven nog te Merelbeke, in afwachting dat zij naar de tentoonstelling in Lyon vertrekken’. Daar kwam echter niets van terecht. Uiteindelijk keerden alle Bontocs op instructie van de VS-consul in december 1913 via Marseille terug naar Manilla. Eén van hen weigerde dat; hij ging er in Gent vandoor en sprong op een trein naar Brussel. De consul onderzocht de hele zaak, maar Richard Schneidewind werd niet vervolgd. In 1914 vaardigde de VS-regering in de Filipijnen een verbod uit om nog langer inlanders als mensenzoo op te voeren. Schneidewind bracht het jaar daarop nog een keertje autochtonen uit Samoa naar de Wereldtentoonstelling in San Francisco.