De Gentse tramway

De Gentse expotrams

De Gentse trammaatschappijen reageerden op de komst van het nieuwe Sint-Pietersstation. De bestaande tramlijn die langs de Kortrijksesteenweg liep, om af te slaan naar de Parklaan, ongeveer ter hoogte van het oude, voorlopige treinstation, werd omgelegd langs de nieuwe Elizabethlaan en het geplande nieuwe treinstation op het Maria-Hendrikaplein, om dan verder te lopen langs de Clementinalaan en zo opnieuw aan te sluiten op de rest van het oude traject. Daarmee anticipeerde de Gentse trammaatschappij op de komst van het nieuwe treinstation, want deze omlegging vond reeds plaats in 1909, terwijl het Sint-Pietersstation pas einde 1912 in gebruik werd genomen. Overigens is dit tramtraject anno 2012 nog steeds in gebruik. Bovendien werden plannen gemaakt voor een nieuwe lijn over de terreinen van de opgedoekte zoo achter de Muinkkaai, om sneller aansluiting te krijgen bij het toen nog bestaande treinstation aan de Zuid.
Deze nieuwe verbinding werd in 1911 in gebruik genomen (maar is inmiddels opnieuw verdwenen). Daarmee verdubbelde de tramcapaciteit van het centrum richting Sint-Pietersstation en Expo, want er liep al een tramlijn in dezelfde richting, langs de Sint-Pietersnieuwstraat.9
Een directe aanpassing van het tramnet aan de Expo was het tijdelijke supprimeren van een gedeelte van de tramlijn tussen de beide treinstations Gent-Zuid en Gent-Sint-Pieters ter hoogte van het Citadelpark. Een deel van de Expo werd in het park gehuisvest, en er was bepaald dat er geen trams mochten rijden op het tentoonstellingsterrein. Het tramverkeer werd omgeleid langs de Kortrijksesteenweg, en de tramsporen in de Hofbouwlaan en Parklaan werden gedeeltelijk opgebroken en hergebruikt voor het Expo-trammetje waarmee de bezoekers over het tentoonstellingsterrein rondgeleid werden. Een tweede aanpassing van het tramnet aan de Expo was de verlenging van de tramlijn die langs het Sint-Pietersstation passeerde, tot aan het wegenknooppunt De Sterre. Deze verlengde tramlijn boog op het einde van de Clementinalaan af, de Kortrijksesteenweg in, en passeerde op deze wijze de hoofdingang van de Expo. Men kon dus met de trein naar de Expo komen, en met de tram tot voor de ingang van de tentoonstelling gebracht worden. Bovendien werkte het ook omgekeerd, want De Sterre was de eindhalte van een streektram die een flink deel van het achterland van Gent bediende.
Zuid richting Sint-Pietersstation liep, langs de Sint-Pietersnieuwstraat. Deze lijn kreeg aan de Heuvelpoort een aftakking naar de Expo. Het nieuwe tracé voerde de bezoekers langs de Zwijnaardsesteenweg tot aan de ‘Uilkens’ van de Sint-Pietersaalststraat, waar zich de achteringang van de expositie bevond. De tramdiensten die op deze lijn voorzien werden oogden bepaald indrukwekkend: 5.30-7.30 uur elk kwartier een tram, dan tot 9.30 uur elke vijf minuten, en gedurende de dag tot 23.30 uur elke tien minuten! Ten slotte werden rond de Sint-Niklaaskerk en rond het Sint-Annaplein spoorlussen aangelegd, om te vermijden dat door de veel hogere frequentie het tramverkeer zou gaan stremmen daar waar de trams van spoor wisselden om terug te keren. 12 Uiteraard werden na afloop van de Expo veel van deze extra tramdiensten opnieuw afgeschaft, hetgeen begrijpelijkerwijs met treurnis werd bekeken door de onderhand verwend geraakte Gentenaars. Met name het verdwijnen van een aantal verbindingen tussen de Zuid en de voormalige Expo-terreinen op zondag werd betreurd. Immers, de vele Gentenaars die op die dag gingen flaneren vanop de Korenmarkt over de Vlaanderenstraat richting Zuid, namen daarna graag de tram Ook aan de netcapaciteit werd gedacht. In 1911 plaatste de Gentse trammaatschappij bij ACEC een bestelling van niet minder dan 36 nieuwe rijtuigen, speciaal bedoeld om in gebruik te nemen tijdens de Expo en zo de verwachte stroom van honderdduizenden bezoekers op te vangen: ‘De rijtuigen zijn zeer schoon. […] De beide platforms kunnen volledig worden afgesloten en hebben twee ruiten aan elk front. Elk platform biedt ruimte voor 14 staanplaatsen. De 18 zitplaatsen zijn in de breedte aangebracht en met riet bekleed: twee maal drie rijen met 1 zitting en evenveel rijen met 2 plaatsen, met een gang daartussen. De zes spiegelruiten kunnen neergelaten worden, zodat de rijtuigen zowel in de zomer als in de winter kunnen lopen. Ze worden verlicht door vier elektrische lampen van de nieuwste en schoonste die er zijn en op het dak bekroond met een fraaie lanterneau.’ Dit type tram, in Gent bekend als de Expo-tram, bleef zeer lang in dienst, pas vanaf 1971 werden deze tramvoertuigen geleidelijk vervangen door de trams van het zogeheten PCC-type.om de spectaculaire resultaten van de afbraakwerken te gaan bezichtigen.

Bron : De Keukeleire, 135 jaar openbaar vervoer in Gent
De nog bestaande trams van deze expo kan u terugvinden op de restantenpagina, onderste rij